'Jij
moet wérken!' riep ze, terwijl ze me de trap
op, de zolder op joeg en me tot aan m'n wankele schrijftafel
voortsleepte: met 'n bevelend wijsvingertje dwong
ze me aan m'n schrijftafel plaats te nemen, wachtte
tot ik m'n pen had opgenomen en 't kwartoschrift helemaal
onder uit 'n hele stapel andere te voorschijn had
geplukt: toen lachte ze voldaan, d'r donkere ogen
fonkelden van wilskracht:
'Jij moet aan mijn boeken schrijven', zei ze, 'jij
moet schrijven!' [...] Ik moest schrijven ja. Ik voelde
dat ze gelijk had. Dat 't enige waarin ik bestond
en kon bestaan 't verzinnen van woorden was van steen
en bloed waarin ik Aliesje kon vatten. Dat ik te zorgen
had dat ze 't kwamen! Ik mocht niet meer rusten, geen
adem halen voor ik 'r in geslaagd was de zwartheid
van d'r haren, de wrede, droeve donkerte van d'r ogen,
d'r lichaam, wild en lenig, in woorden te vatten.
Ja, daar kwam 't wel op neer: ik zou niet mogen rusten
voor ik d'r ontserfelijk had gemaakt.
|