 De
moestuin grensde aan de tuin van opa Kasteleijns,
zoals hij door ieder werd genoemd. Ik zocht hem
dikwijls op en keek toe hoe hij mollen vilde of
zijn tuin omspitte waarbij ik hem af en toe hielp.
Hij woonde in een zeer oud, klein huisje. Het
cement vloeide tussen de bakstenen uit en het
rook er binnen naar spek en ham. Het huishoudwater
liep weg in een ondiepe sloot. Opa Kasteleijns
kon ook wel een humeurig zijnen dan was het uitkijken
geblazen.
[vervolg tekst hiernaast ->]
|
 Of
hij kwam me achterna met een schop omdat ik een
aardbei of appel bietste. Dan dook ik over de
heg of brak er doorheen, in elk geval durfde ik
dan niet in zijn handen te vallen. Hij komt ook
voor in De kleine jongen en de rivier.
Mijn jongste zusje staat naast hem tegen de muur.
Dat zusje was altijd zeer nieuwsgierig. Ze ging
bijna tegen de mensen aan staan die haar interesseerden,
alsof ze er door een magneet naartoe getrokken
werd, keek naar ze, rook aan ze, betastte ze soms,
voelde aan hun kleren, hun wang. Ze had een heimelijk
plezier in observeren en ontdekken. |