
Van buiten valt licht over de banken. Die banken
zijn leeg. Ooit zaten ze tot achteraan vol, het
aantal seminaristen bedroeg ongeveer 200. Vooraan
werd het dalende licht verstrooid door het blonde
haar van jongetjes van 11, 12 jaar. Snappen deden
ze het allemaal nog niet, maar dat zou wel komen,
dachten ze. Achteraan zaten de 18- tot 20-jarigen.
Het dalend licht blonk in de met brylcream besmeerde
kapsels. Op zondag reisde wierook door het licht.
Niet zelden worstelde ik in de hoogmis met buikkrampen,
veroorzaakt door de sterke koffie die we op zondagochtend
bij het ontbijt geserveerd kregen. Mijn spijsvertering
verdroeg het niet altijd, één keer
per week gitzwarte koffie. Koffie en knapperige
chocoladehagel.
Ik heb uitgerekend dat ik ongeveer 2.700 uur in
deze kapel heb doorgebracht. Bij de berekening
ben ik uitgegaan van 6 jaren, dat is 246 weken,
11 uur per week.
Hier voltrokken zich de rituelen, hier werden
we - naast de toespraken in de wellevendsheidsles
- herinnerd aan het doel van ons verblijf op de
school, op het seminarie. Ik beschrijf de sfeer
van deze kapel en het toezicht in de roman Het
einde van de eeuwigheid. De in het boek beschreven
meikeverplaag heeft in werkelijkheid plaatsgevonden.
De sportvelden rondom de school waren een lustoord
voor de engerling, de larve van mei- en junikever.
Elk jaar bevrijdden talloze meikevers zich uit
de voedzame grond en begonnen hun vliegende leven.
Ik weet niet of hier de gewaarwording van een
zekere geborgenheid is ontstaan die ik onderga
als ik een kerk binnenga. Wanneer ik op reis ben
in het buitenland en er momenten aanbreken dat
ik me ontheemd voel en mijn draai in die vreemde
wereld niet kan vinden, ga ik soms een kerk binnen
en zie, het gevoel geen houvast te kunnen krijgen
in die onverschillige, mij vreemde stad of dorp
verdwijnt, de wereld komt me weer vertrouwd voor.
Ook al laat elk geloof me persoonlijk onverschillig.
|