Er
is één gebeurtenis, nee, ik moet
zeggen er zijn twee gebeurtenissen die in deze
zaal plaatsvonden die ik niet makkelijk vergeten
zal. Ik zat in klas drie, de Grammatica. Het
was me gelukt eindelijk bijna achter in de studiezaal
terecht te komen, in het blok van klas drie.
Wie goed kijkt, ziet dat de zaal door looppaden
in drie blokken is verdeeld. De lastigste en
onrustigste leerlingen zaten zover mogelijk
vooraan in hun blok en als ze naar het oordeel
van de leiding een nog beter toezicht nodig
hadden, werden ze uit hun blok gehaald en vooraan
bij de katheder neergezet. Voor een Grammatica-leerling
was het nogal vernederend om helemaal vooraan
tussen jongens van de Opleiding (voorbereidende
klas) en klas één (Kleine Figuur)
geplaatst te worden.
Aan het eind van klas drie was het me eindelijk
gelukt. En op een avond onder de studie was
ik er getuige van een externe leerling die vóór
me zat, de klep van zijn bureau omhoog tilde,
er iets uitnam, een aansteker greep, de vlam
ervan bij een draadje hield dat aan het ding
vastzat en toekeek hoe dat draadje vlam vatte
en langzaam opbrandde. Twee, drie hoofden hadden
zich in de richting van dit vrij ongewone gebeuren
gewend en ik weet niet of ook ik iets riep in
de richting van de jongen, in elk geval hoorde
ik vrij luid én dringend zeggen: 'Gooi
weg. Gooi hem weg!' De jongen keek met een vrij
onnozel gezicht op, tweifelde en gooide het
ding onder de stoel van zijn buurman die nog
altijd niks in de gaten had. Het volgende ogenblik
was ik getuige van een wonderlijk tafereel.
Er klonk een daverende knal en gelijktijdig,
als bij de haren opgetild, verhieven alle jongens
zich een halve meter boven hun stoel. Niemand
zat nog. Iedereen zweefde in de lucht. Een niet
na te rekenen tijdspanne hing een compleet leger
jongens in zithouding in de lucht.
Het tweede voorval bezat ook een niet gering
gehalte aan absurdisme. De avondstudie was net
voorbij, we stonden op en raakten onmiddellijk
in gesprek over een wurgmoord en de manieren
waarop iemand aan zijn einde kan komen. 'Gewurgd
worden lijkt me helemaal geen slechte dood,'
zei mijn buurman in de studiezaal. 'Misschien
krijg je wel allerlei mooie hallucinaties en
het is bijna meteen voorbij. Wel lekker, eigenlijk.'
'Zal ik je dan even snel wurgen, vroeg ik hem.'
'Ja, dat moet je maar doen. Lijkt me leuk.'
Ook de anderen vonden dat ik dat maar moest
doen. Ik legde mijn handen om de keel van de
jongen en drukte. Tegelijk keek ik naar zijn
gezicht om bij het eerste teken van benauwdheid
dat hij zou laten zien, los te laten. Het was
een rustige, niet al te sterke jongen en ik
was ervan overtuigd dat hij heel snel zou aangeven
dat de grap geslaagd was en dat ik kon loslaten.
Maar dat deed hij niet. De jongen wilde het
experiment tot het einde toe uitvoeren, blijkbaar.
In tegenstelling tot ikzelf. Ik dacht nog: dadelijk
vindt hij het wel genoeg en laat ik los, toen
de jongen uit mijn handen weggleed en ik veel
moeite moest doen om hem niet plompverloren
op de grond te laten vallen. Daar lag hij dan.
Had ik hem vermoord? 'Die komt zo bij,' zeiden
de anderen. Maar ik was daar niet zo zeker van.
Ik heb hem vermoord, dacht ik. Dat zul je zien.
Mijn leven is naar de haaien. Hij kwam bij,
na twee, drie minuten. Toch had ik het gevoel
dat ik door een zeer klein gat ontsnapt was.
Ik was vanaf dat moment zelf een stuk rustiger.
Het voorval werd me niet nagedragen. Niemand
herinnerde me er later nog aan en toen ik na
enkele weken de moed opbracht het slachtoffer
te vragen hoe hij terugdacht aan het voorval,
haalde die zijn schouders op en zei: 'Gewoon.
Wel leuk.' Ik diende me erbij neer te leggen,
besefte ik geleidelijk, dat er iets volstrekt
normaals was gebeurd.
Doorgaans waren de uren die we in de studiezaal
doorbrachten, niet erg opwindend. Er heerste
een stilte die doorsemend was van gekuch, het
zachte kraken van meubelhout, geruis van schurende
kleding, geritsel van papier, het gedempte gebonk
van een lade die dichtgeschoven werd. De tijd
verstreek als in een droom, het buitenlicht
werd geleidelijk zwakker, de avondboterham besmeerd
met jam of belegd met worst naderde of verteerde
in de magen, het eind van de dag en de slaapzaal
kwamen alweer in zicht.
Ik heb uitgerekend dat ik ongeveer 6.500 uur
in die studiezaal heb doorgebracht. (Een aantal
van 1722 dagen, en dan 3,75 uur per dag.) Daar
zijn de uren die ik in de studiezaal van de
Grote Cour doorbracht, de laatste vier jaren,
bij opgeteld.
De uren die ik er vrijwillig doorbracht, zijn
niet meegerekend. Als dat 0,5 uur per dag was,
moet het aantal uren op ongeveer 7.350 uur worden
geschat.