| |
|
Tymen
Trolsky voorzag enkele foto's uit zijn seminarie-periode
van commentaar. Foto's en commentaar volgen hieronder.
|
Dit
is een figuur die een onuitwisbare indruk maakte
op de leerlingen, internen en externen, en op
hen niet alleen, ook op ouders van leerlingen,
ambtenaren - van hoog tot laag -, geldschieters,
boeren, Vrijwel ieder die zijn pad kruiste,
stond paf. Als iemand het begrip 'overweldigen'
heeft uitgevonden, was hij het. Daar was hij
de hele dag mee bezig. Ook al was zijn gezondheid
zwak, hij barstte van de energie. Ook al waren
zijn longen niet best, hij rookte als een ketter.
Als hij een paar treden beklommen had, wat nodig
was om vanachter de katheder op het podium van
de aula het woord tot de zaal te richten, snoof
hij als een paard dat een kar uit een moeras
moest trekken. Hij was niet te stoppen. Omdat
hij even makkelijk met notabelen als laaggeschoolden
omging, jurist was, de weg naar Den Haag kende
en over tactisch vernuft beschikte, was hij
de aangewezen man om het nieuwe seminarie te
bouwen. Hij verwierf de grond door de Oosterhoutse
boeren over te halen hun stukjes hei aan de
kapucijnen af te staan, wierf sponsors en bracht
op andere manieren het geld voor de bouw bijeen.
Hij zette het gebouw neer waar ik later zeven
jaar in zou doorbrengen.
Hier staat hij achter de katheder tijdens een
van de maandelijkse vergaderingen van de Sint
Bonaventuravereniging. Alle leerlingen waren
lid en tijdens de vergaderingen
Ik heb meerdere keren een aanvaring gehad met
pater Laetansius, zoals de kloosternaam luidde
van pater rector. Het liep steeds goed af. Wellicht
speelde zijn liefde voor de kunst daarbij een
rol. Hij wist dat ik me met het schrijven van
poëzie bezighield en me in het werk van
filosofen verdiepte. Dat vond hij bijzonder
en dan kon je een pot bij hem breken. Dan betekende
je iets. Om een voorbeeld te geven. Hij was
ervan op de hoogte dat een jongen die eindexamen
deed, een poëziebundel had geschreven.
Op het moment dat hij mondeling eindexamen deed
voor het vak Nederlands, stapte de rector het
lokaal binnen en legde de bundel voor de neus
van de gecommiteerde. 'Zeg maar gerust dat die
jongen geslaagd is. Kijk wat hij geschreven
heeft: een voortreffelijk bundel gedichten.
Is dat wat of is het dat niet? Cum laude geslaagd,
zou ik zeggen.' En hij beende het lokaal weer
uit.'
|
| |
 Alle
soorten sport werden er op het seminarie beoefend.
Hockey, basket- en volleybal, atletiek, turnen,
tafeltennis en biljart. Voetbal was de voornaamste
tak van sport. Dit is het juniorenelftal van begin
1962, samengesteld uit interne en externe leerlingen.
We vormden een goed team en eindigden in scholencompetities
bijna altijd bovenaan. Ik ben de enige op de foto
die geen voetbalschoenen draagt, ik voetbalde
op witte linnen tennisschoenen. Mijn ouders konden
geen voetbalschoenen betalen, ik herinner me nog
de wanhopige blik van mijn moeder toen ze de prijslijst
zag van de boeken die ik diende aan te schaffen.
Vooral de Wolters woordenboeken hakten erin. 'Zijn
die echt nodig?' Ze belde de rector. 'Ja, die
moet u uw zoon echt meegeven.' 'Zijn ze niet tweedehands
te krijgen?' vroeg ze nadat ze de hoorn had opgelegd.
Ik wist het niet en hoopte van niet. Ik wilde
niet met oude rommel op die school verschijnen.
Tenslotte werden ze in een boekenzaak in Eindhoven
gekocht, maar geld voor voetbalschoenen zat er
niet meer in. Als dat al het geval geweest was.
Het was behelpen en nog gevaarlijk ook: bij nat
gras gleed ik makkelijk uit en verzwikte mijn
enkel. Maar ik haalde het juniorenelftal ondanks
deze handicap. Na anderhalf jaar, en ik zat nog
steeds op het seminarie kwamen de voetbalschoenen
er toch, met sinterklaas. Een cadeau omdat ik
zo mijn best deed, neem ik aan. Maar ze werden
wel op de groei gekocht, twee of drie maten te
groot. Elk risico dat er een tweede paar gekocht
moest worden later, diende vermeden. Ik heb tot
en met het eindexamenjaar altijd op te grote voetbalschoenen
gevoetbald. Dat had een funeste invloed op mijn
beweeglijkheid en de kracht en richting van mijn
schot. Maar iemand kon niet alles hebben, daar.
Er waren medeseminaristen die nooit voetbalschoenen
kregen. Waren nergens goed voor, vonden hun ouders.
|
| |
Het toneel speelde een belangrijke rol op het
Sint Oelbertgymnasium, het gymnasium dat aan
het seminarie verbonden was. Er werd grote waarde
aan gehecht door de schoolleiding, de rector
voorop. Er waren twee uitvoeringen elk jaar,
een buitenopvoering in juni en een binnenopvoering
met carnaval, nauwkeuriger gezegd: op vastenavond.
Er werden geweldige decors gebouwd, de hoofdrolspelers
kregen huiswerkvrij gedurende weken, er werden
serieuze stukken gespeeld, soms in een nieuwe
vertaling, er werden voorstellingen opgevoerd
voor de eigen leerlingen, voor de geldschenkers
en bevolking van Oosterhout en voor de ouders
van de leerlingen. Een van de spelers die op
deze foto staat, Antoine Uitdenhage, zou een
bekend regisseur worden, een andere speler toneelcriticus
voor een krant, een ander zou tot aan vandaag
de toneeltraditie van die jaren in het openluchttheater
voortzetten.
De foto laat een scène zien uit Joseph
in Dothan van Joost van den Vondel.
Ikzelf nam nooit een rol van betekenis voor
mijn rekening. Ik kon geen tekst onthouden.
Twee keer kreeg ik een figurantenrol toebedeeld,
een keer als degenvechter en een keer als Russische
danser. In die laatste rol onderscheidde ik
me doordat ik als enige bij de kozakkendans
voorzien was van enkel- en polsbanden van mollenvel.
Ik had de opdracht de mollen die de sportvelden
omwoelden te vangen en als ik er een in een
klem vond, vilde ik die zoals ik dat opa Kasteleijns
in Liempde had zien doen, toen ik een jaar of
acht was. Na het villen prepareerde ik de huiden.
Daar moest ik dan wel iets mee doen, vond ik.
|
| |
In mijn kinder- en jeugdjaren bezat ik verschillende
soorten dieren, waaronder vogels zoals kauwen,
eksters, kraaien, uilen. Ook kleinere vogels
zoals Japanse nachtegaal en muskaatvinken. Deze
torenvalk, een vrouwtje, kreeg ik van een tuinbroeder
van een naburig klooster. Die hield er een klein
dierenpark op na. Toen hij ontdekte dat er mandarijneendenkuikens
verdwenen uit de open ren, plaatste hij lijmstokjes
en ving deze valk. Toen ik de vogel in een volièrehok
zag bij de broeder, kreeg ik het voor elkaar
dat ik haar mocht meenemen. Ik bezat op het
seminarie een kleine kamer aan het einde van
een brandgang, op de tweede verdieping, en daar
timmerde ik een verblijf voor de valk. Haar
vleugels waren verfomfaaid door de lijm, ik
maakte ze zo goed mogelijk schoon en de valk
kon weer vliegen. Ik richtte haar af tot het
stadium dat ze, losgelaten in een zaal in het
gebouw, naar me toekwam en vlees uit mijn hand
at. Ter bescherming tegen de klauwen en om de
vogel een goed houvast te bieden als die op
mijn arm zat, droeg ik een handschoen en leren
polsband die ik zelf vervaardigde. Met een leren
riem en reep leer zat de vogel aan de polsband
vast.
|
| |
|
|
 |
| |
|
|
|
|
|
© Jasper Mikkers/Tymen Trolsky
|
|
|
|