| |
|
Tymen
Trolsky voorzag enkele foto's uit zijn seminarie-periode
van commentaar. Foto's en commentaar volgen hieronder.
|
Het
licht dat schijnend door de ramen over vloeren
en muren valt, is een beeld dat in allerlei
vormen in mijn geheugen is vastgelegd. Overal,
zij het steeds anders en op andere momenten,
viel zonlicht naar binnen. Het scheerde langs
de ruwe muren, over de tegelvloeren, langs de
tafels en studiebureaus. Het bracht letterlijk
licht binnen de muren en het hart werd er vrolijk
en energiek van.
Tijdens retraites werd van de leerlingen verwacht
dat ze uit eigen beweging naar de kapel gingen.
Wie de hal betrad die voor de kapel lag, stapte
een zee van gekleurd licht binnen, een aquarium
waarin het glas in lood allerlei aquareltinten
door elkaar mengden. Dikwijl liep ik naar een
van de ramen en keek door een ruitje naar buiten.
Of ik keek uit op de cour en sportvelden van
de Kleine Cour en de weg omzoomd met Amerikaanse
eiken die in de verte langs het seminarieterrein
naar Oosterhout liep, naar de brug over het
kanaal, of op de velden van de Grote Cour. Ik
zag een deel van de wereld, maar niet zoals
die was. Alles had een andere kleur, het gras
en de bomen waren blauw, of geel als ik door
een ander ruitje keek. Meestal ging ik daarna
achterin in de kapel op een bank zitten, maar
in plaats van in gesprek te gaan met God, bleef
ik een tijdje naar de stofdeeltjes kijken die
door de lichtstralen zweefden. Het zonlicht
boorde zich door de glas-in-loodramen en de
schuine lichtbalken vingen stofdeeltjes en hielden
die even vast. De lichtste turbulentie werd
zichtbaar. Maar bijna nooit was er beweging
in de kapel, het stof zweefde en leek niet te
weten waarheen en waarom. Het licht betastte
het stofje en liet het verder ongemoeid. Ook
was er geen geluid, behalve ooit een mus die
het niet laten kon door een tuimelraam naar
binnen te vliegen en verwonderd te tsjilpen
over wat hij zag en nooit vermoed had.
Overal viel het licht naar binnen als de zon
scheen, in de weeceeruimten, hallen, slaap-
en studiezaal, klaslokalen, gymzaal. Alleen
niet in de bezemkast.
Deze foto werd later op de dag genomen. De recreatiezaal
lag op het westen, tegen het openluchttheater
aan, en zon staat zeer laag.
|
| |
 In
deze ruimte waren alle soorten zweet te ruiken.
Er vonden de normale gymlessen plaats, maar ook
wedstrijden in allerlei sporten, tegen elkaar
en tegen teams van buiten, van andere seminaries
meestal. In één sport blonk het
Oelbertgymnasium uit: turnen. Wie in het turnteam
opgenomen wilde worden, moest ervoor zorgen dat
hij bij selectiewedstrijden bijde eerste acht
eindigde. Ik werd meestal negende, een zeldzame
keer achtste. Ik had het net niet. Ik was net
niet lenig en sterk genoeg. Wat ik ook oefende.
Tussen de ochtend- en middaglessen of op woensdagmiddagen
stelde ik - soms in mijn eentje - alle toestellen
op en ging aan de slag. Het resultaat bleef hetzelfde.
We werden desalniettemin altijd kampioen. Dat
lag vooral aan onze nummer 1, een zekere Jos de
Hartog. Hoewel hij een beetje te zwaar was, kon
hij alles. Je vroeg het hem en hij kon het. Aan
hem trokken we ons op, hij voerde ons aan. Trouwens,
niet alleen in turnen waren we keien, ook in voetbal.
En wie was onze keeper die ongeveer alle ballen
tegenhield en ons kampioen maakte? Een zekere
Jos de Hartog.
De gymzaal deed ook dienst als aula. Er waren
zogenaamde vergaderingen - gewoon bijeenkomsten
van alle leerlingen - van de culturele Sint Bonaventuravereniging,
eigen toneelvoorstellingen, couravondjes, films
- The guns of Navarone - en recitals zoals van
de goudgelokte klaterwaterval Marie-Cécile
Moerdijk. Ook werden er aan het eind van het jaar
vonnissen geveld door de rector: 'Gaat over',
'Blijft zitten', 'Wordt van school verwijderd'.
|
| |
|
|
 |
| |
|
|
|
|
|
© Jasper Mikkers/Tymen Trolsky
|
|
|
|