Poëzie
 Uit: Liefdes-, Klaag- en Politieke Liederen
   
 

Henry Moore


Je had een boek over Henry Moore gelezen. Nu wilde
je zelf wel eens gaan beeldhouwen.
Daarvoor had je helemaal vanuit de Jura blauwe
basaltsteen laten komen. Je verspilde

geen ogenblik. Je hakte
er woedend op los en stoof in het rond. Je kloffie
zat al gauw duimendik onder het stoffie.
En tenslotte, na achttien uur werken, snákte

je gewoon naar adem. Maar ik moet zeggen, een prácht
van een beeld. Hoe heb je het voor elkaar gebracht.

Schitterend gewoon. Ook jijzelf was erg tevreden,
al vond je dat de handen het nog niet helemaal deden.

Maar hoe afschuwelijk, o, dat toen van kop tot teen
die levensgrote barst verscheen.

 
     
 

Het concert


We hadden besloten naar het concert te gaan.
Je had je nog maar net naast mij geschoven
of daar kwam die losbol van een Beethoven-
achtige dirigent het podium opgestoven. Al aan-

stonds tikte hij zijn stalen stokje stuk,
en toen, onder de drukte die ze maakten
orkest en dirigent door het podium kraakten
- tijdens de consternatie luchtte jij luk-

raak je hart over die 'lichtzinnige bard,
hoe heet ie, o ja, die onbenul van een Mozart'

en over 'de vlegelige troubadour Händel'
die hier niet tegen op kon 'met zijn zwendel' -

en jij de dirigent nog raakte met je katapult,
net op zijn oor, toen lachten we ons pas echt een bult.

 
     
 

Van Puffelen


Ofschoon je weer enorm had zitten buffelen,
nam je toch nog een handvol truffelen na
en je gebruikelijke flesje spa-
water, en uit de la handenvol truffelen.

'Nee', zei je weer terwijl je kat 'Van Puffelen'
oppakte van de vloer en zette op je schoot
waarna je spawater over zijn snuitje goot
en doorging ook je eigen maag te knuffelen,

'de tijden worden er niet beter op. De goederen
worden schaars, de dood zit ieder als het ware

op de hielen, en de mensen? God beware
ons voor dat asociaal gebroed: lóederen

zijn het die zich door de staat laten voederen!'
Voldaan nipte je van je ouwe klare.

 
     
 
Ieder huis zijn kruis


Het feest was voorbij. Ja, op uiterst ruige
voet was er vernield. Behalve je kadukke
vazen en zowat zesentwintig stukken
koekoeksklok hield je nog een half aan duigen

getimmerd wandmeubel over en drie fauteuils
waarvan de veren zongen en de plukken plastic
in de rondte sprongen. Een Van Gogh, door hik
geplaagd, was met een wilde snik en gruis

omlaag gekletterd, had al vallend per abuis
je theeservies verpletterd en een oud geweer

zo falikant verbogen... Eer viel hier niet meer
met iets te halen. Er was behoorlijk huis

gehouden, dit pas trouwens voor de achtste keer.
'Ach', snikte je zacht. "Ieder huis zijn kruis.'


 
     
 

Glaasje prik


Je was behoorlijk aan de drank, dacht ik.
Vier literkruiken bols lagen aan scherven
en in je strandstoel lag je het te besterven
van de lach om mijn kalme glaasje prik.

Terwijl ik er voorwaar een machtige tik
in had gedaan. Maar nee, jij moest weer even
flink pesten en nogal hyperoverdreven
liggen lachen. 'Oh, houd me vast! Ik stik!'

Je hebt me altijd weggezet als kloot.
Of ik nu uit mijn vel sprong, paars of rood
aanliep, of ik vanbinnen zat te koken,

liefst zestien poken op je hoofd gebroken
had, pardoes doodviel: het deed je nimmer wat.
Dat was de reden dat ik je liefhad.

 
     
 

Als spijker


Ik had me vermomd als lucifer
en liep op mijn houten voeten
naar de asbak om er tussen peuken
naar jouw benen en borstjes te wroeten.

Ik had de pels van een zwart poesje
en liep onder onbedaarlijk snikken
naar je mand om je snuit en louche
pootjes te likken, het te flikken.

Ik had reeds als spijker, paddestoel,
pagegaai, postduif en plukje poel-
gras naar je gespied: waar je stak,

in hooimijt, vuilnisvat of plantenbak,
in schoenmeerdoos of filterzak,
ik wist het niet. Je was weer op rak.

 
     
 

© Jasper Mikkers/Tymen Trolsky