Poëzie
 Uit: Liederen van weemoed, wanhoop en waanzin
   
 

De dictator


Over de molshoop
kwam hij aangegaloppeerd.
Het gras dook diep in de grond,
de elfen staakten in de garages
de reparartie van hun dorsmachines.
Er viel een doodse stilte.

Toen is hij van zijn sprinkhaan gestegen
en aan het werk gegaan.

Kop na kop sloeg hij af
van de halzen die zich uitrekten
OM HEM TE ZIEN.
Krakend heeft hij ze verorberd.

Toen is hij weer op zijn sprinkhaan gestegen
en weggereden.

 
     
 

Fabel

Met de rode spikkels
van de geroofde kersen nog om zijn bek
wroette hij zich boven de grond.
'Haha'.
Als een reuzeluis véérde hij uit de zwarte aarde omhoog
en zette het op een lopen
onderwijl ja onderwijl
krukken fabricerend
uit zwart, vermolmd mutserdhout
voor het geval haha
hij zijn beste beentje niet meer voort zou kunnen zetten.
'Wie krijgt mij?'
Schilfers waaiden op
bij het kerven van de krukken
die nodig waren ja,
want daar viel hij
glippend over een slakkespoor,
en toen futselde hij de krukken
onder de oksels van zijn poten
en rende door,
rende voor zijn leven
en lachte: 'Ha, wie krijgt mij?
Ik kan rennen, lopen, springen,
wie krijgt...?'
Daar lag hij opeens.
De krukken waren vermolmd
en het gevaarte,
dat ging voort
en verpletterde hem!

Moraal: Zo ziet u,
lach nooit
voordat u zeker weet
dat uw krukken niet vermolmd zijn.

 
     
 

Toen

Toen
toen riep ik
als gek geworden:

Waarom?
Waarom?

Omdat,
omdat,
omdat dat ene aardvarken,
dat ene aardvarken
vloekte...?!

 
     
 
Uit de afdeling Elf aangewaaide liederen:
 
     
 

I

Jij kroop langs de rozen omhoog.
Een lied stond zwetend zijn bril te poetsen,
zuigend op een schemerlamp
- een brandende fakkel, een insektenpoot
in vlam, lichtend in de treurige morgen -.
Jij beplaste het gras en
omhelsde een kikker die zong
en peultjes kweekte in een verlaten fietsbel, ach...

Je haren verkruimelden in de wind.
Takkebossen leed stegen op
vanonder insekten strelende stenen.
Je hakkelde, wind sneed - ach, de wind!
Kon ik je maar kussen op je kleine harp,
sukkelend voort over hooi puntend, piano-
stemmend mos, ach, de krekels, op waterige
krukken bolbozend in de diepte,
de diepte, ja, kroos, en daarna...

Een krekel die het hazepad koos,
een lied aan zijn achterpoot gebonden,
een kistje,
en daarín.

 
     
 

XII

Met mijn jagershoed en slecht geslepen geweer
holde ik door de bossen
en zette vallen voor het vals,
laag bij de grondse dichtwild,
puntte mijn geweer aan.

Ja, hij struikelde, mijn veer,
mijn aangepunt geweer, toen hij zong voor jou
dit kleine, luid piepende gedicht,
dit laatste lied voor de winter.

Eenzaam dwalend.

Gebroken flessen, gebroken liederen.
De herfst, luid snikkend, als toen,
nee, die komt nooit weerom, ach,
zal nooit meer zo mooi zingen,
voor jou, als toen...

 
     
 

Sprookje over Heikal

Heikal de hegmus
sjilpte lummelig
vanuit het holletje in de haag.
De dood had touwtjes gewonden
om zijn pootjes,
teer de hand op zijn schouder gelegd:
HEIKAL ZOU NOOIT MEER UITVLIEGEN.

Grote kastanjes butsten
op de klinkerweg.
Bladeren, oud als schimmel,
schoven weemoedig voort of ritselden -
Triest vond Heikal
dit allemaal, triest.
Hij legde zijn kop tussen
zijn veren en stierf.

Met een plof
viel Heikal op de asfaltweg,
als een kastanje,
en BUTSTE.
Heikal was niet meer.

 
     
 

Ach, droevig drupt de kraan

Ach, droevig drupt de kraan.
Het gerafeld, moegehangen washandje
zucht bij zijn zoveelste omhelzing
van het verweerd blokje Sunlight zeep
en schuurt de ongeschoren wang.
Ach droevig drupt de kraan.

Verbitterd, vol heimwee herdenkt
het de tijd dat het hing naast een handdoek,
eens zijn geliefde hoeder en broeder
en nu dienaar geworden van het vuilnisvat,
vernederd tot vaatdoek.
Ach, droevig drupt de kraan.

En dan te denken aan de tandenborstel,
treurig piekerend in zijn beker.
Hij vergaart stof en vergeelt,
vergeet zijn liaison
met de spin boven de spiegel,
verdroogd waaiend in zijn web.

Het pak Dreft is ook leeg.
De spons krimpt,
de wasbak is gebarsten,
de stop is ook niet meer wat hij was,
alles lekt.
Ach, droevig drupt de kraan.

 
     
 

© Jasper Mikkers/Tymen Trolsky