|
TYMEN TROLSKY REVISITED
CEES VAN RAAK
Op 14 juni 1971 zette Tymen Trolsky
zijn eerste schreden in de literaire wereld. Die dag
gingen twee verhalen op de bus, geadresseerd aan twee
Vlaamse tijdschriften. Beiden werden gepubliceerd, de
geboorte van een opzienbarende mystificatie was een
feit. Eerst nam Nieuwe Stemmen, Orgaan van de Katholieke
Jongeren-Gemeenschap, in het oktobernummer van dat jaar
De Verloving op, twee maanden later volgde Het Nieuw
Vlaams Tijdschrift, onder redaktie van Ivo Michiels,
met Vier schuchtere schreden op weg naar een verhaal.
Waarom Vlaamse tijdschriften? Trolsky vermoedde dat
hij daar als Nederlands auteur meer kans zou maken dan
bij de periodieken boven de Moerdijk. Zijn werk werd
er inderdaad geaccepteerd.
Weinig
is bekend over de achtergronden van de auteur en zijn
schuilnaam, noch is ooit de ontstane anekdotiek beschreven.
Terwijl het hier toch gaat om een van de meest geruchtmakende
literaire affaires uit de jaren zeventig. De bedoeling
van het pseudoniem was om met rust gelaten te worden.
Trolsky wilde niet "van het echte leven vervreemden",
daar was hij bang voor als hij zich als schrijver van
vlees en bloed zou moeten manifesteren. Een schrijver
die verplicht zou zijn deel te nemen aan het "literaire
society-leven, waarin het verzwelgen van de grootste
hoeveelheid sterke drank en het uitslaan van de grootste
onzin beschouwd worden als het meest perfekte staaltje
van artisticiteit". Hij hoopte door het gebruik
van een schuilnaam zich de last te besparen van journalisten,
organisatoren van literaire manifestaties, verzoeken
om in jury's plaats te nemen, enzovoorts. Hij wenste
zich geheel aan het schrijven te wijden.
Daarom deze allitererende, Russisch-klinkende naam waarin
een verwijzing doorklonk naar de in opdracht van Stalin
vermoorde Trotski en die tevens de trol in zich droeg,
de boze geest uit de Noorse mythologie. Duidingen te
over, in weerwil van menigeen die dé sleutel
gevonden dacht te hebben, zoals met een verondersteld
anagram van de namen Ros, Komrij, Sontrop.
"Zeer geachte Heer Trolsky. Al meermalen heb
ik teksten van u gelezen die u had ingezonden voor Het
Nieuw Vlaams Tijdschrift. Met interesse. Ik vind namelijk
wat u schrijft erg goed."
Aldus de aanhef van de eerste brief die Hugo Raes aan
Tymen Trolsky schreef (4 september 1972). Hij reageerde
hiermee met name op het verhaal Aliesje, gepubliceerd
in het juli-augustus nummer van dat jaar. Dit verhaal
zou de titel geven aan de bundel die in 1975 het licht
zag.
In zijn antwoord ging Trolsky in op zijn schrijverschap:
door te stellen dat hij geen schrijver was. "(-)
Probeert u daar alsjeblieft van overtuigd te zijn.
Dat 'r toch af en toe iets van mij op papier verschijnt,
is zuiver toeval, 't is steeds 'n toegift aan 'n toch
al zo vreselijk grote, onverdragelijke schuld. Schrijven
is 'n straf, men heeft iets goed te maken, men probeert
boete te doen, nog iets te veranderen. (-) Schrijven
is 'n marteling. En dan wilt u mij nog wel levenslang
tot die marteling veroordelen door mij 'n schrijver
te noemen. (-) Gelukkig bent u geen schrijver
(als ik goed ben ingelicht), maar leraar aan de middelbare
school." (Brief 8 september 1972).
Hoewel hij niet tot de lectoren van
De Bezige Bij behoorde, wilde Raes zich toch inzetten
om daar Trolsky's werk onder de aandacht te brengen.
En Trolsky zelf wilde ook graag uitgegeven worden, getuige
zijn zending van een groot aantal gedichten onder de
titel Aliesjes Bundel. Ook dit werk beviel Raes. Er
waren foto's bijgevoegd die voor hem nog meer "het
raadsel van de Aliesje-obsessie" vergrootten,
"waarover ik al de meest bedrukkende gevoelens
begon te krijgen na lezing van uw poëzie".
Maar desondanks was het hem in eerste instantie om het
proza te doen: "want uiteraard is een uitgeverij
veel meer geïnteresseerd in proza: het is iets
eenvoudiger om de onkosten te recupereren van een boek
proza, dan van poëzie. (-) Trouwens uw
proza vind ik erg goed, en mogelijk nog fascinerender.
(-)" (Brief 20 september 1972). Dit proza
behelsde ondermeer de eerste verhalen van Aliesje (1975).
Op zich had hij geen bezwaar tegen
Raes' voorkeur voor het proza, integendeel, Tymen Trolsky
zou aanstonds beginnen met het samenstellen van een
bundel, die de titel Aliesjes Proza kreeg.
Hiervoor lagen gereed enkele grote verhalen (voorgepubliceerd
in o.a. Het Nieuw Vlaams Tijdschrift), schetsen, tientallen
dagboekaantekeningen, maar ook foto's en tekeningen
door Aliesje zelf gemaakt. Of dit allemaal voor een
uitgave in aanmerking kon komen, vroeg hij zich wel
af. Deze verzameling Aliesjes Proza zag Trolsky het
liefst verschijnen na de gedichten van Aliesjes Bundel.
Beide boeken zeker bij dezelfde uitgeverij, De Bezige
Bij, "omdat noodzakelijkerwijs 't verband tussen
de poezie en 't proza gehandhaafd moet blijven, zo mogelijk
zelfs benadrukt" door de twee werken in een
uniforme uitgave te laten verschijnen.
Maar
wie was toch die Aliesje? Een klein, Indisch meisje
van nog geen tien jaar. Zijn muze. "Aliesje
was 't die mij de gedichten dicteerde, die mij de beelden
gaf, die mij onafgebroken inspireerde, die mij als pen
hanteerde: zij is in wezen de enige en ware schrijfster
van mijn gedichten." (Brief aan Martin Ros
14 maart 1974). "Ik weet wel dat sommige mensen
er vreemd tegenaan kijken, tegen mijn verhouding met
Aliesje en er iets kwaadaardigs achter zoeken. Maar
ik vind het tijdverspilling om me daar iets van aan
te trekken. (-) Aliesje was een van mijn beweegredenen
om te gaan schrijven. Door haar gestalte en optreden
raakte ik vaak zo enorm ontroerd, dat ik me gedwongen
voelde de ervaringen met haar vast te leggen, te bewaren."
(Interview met Lien Heyting, NRC 4 juni 1976). Zijn
vriend Jace van de Ven sprak van een niet te doorgronden
gehechtheid aan dit tengere schepseltje.
Tymen Trolsky werkte hard, heel hard.
Zijn geld verdiende hij met werken via uitzendbureau's,
veelal nachtwerk. Na vele gedichten en verhalen, ondermeer
die rond Aliesje, begon hij tijdens een vakantie in
Arnhem aan het eerste hoofdstuk van de roman Het Oponthoud.
Daarna, terug in de fabriek, kwam de rest van het boek
grotendeels in zijn hoofd tot stand. Later, in december
1972, schreef hij als in een roes alles op. Niet zelden
werkte hij dertig uur aan een stuk door.
In november van dat jaar had Hugo Raes aan zijn vriend
Remco Campert, die bij hem in Hoboken op bezoek was,
het pak gedichten met de titel Aliesjes Bundel meegegeven
voor De Bezige Bij.
Tymen Trolsky wendde zich in maart 1973 rechtstreeks
tot de directeur van de uitgeverij, Geert Lubberhuizen.
Hij had nog geen nieuws ontvangen over de receptie van
zijn poëzie. De Bezige Bij bleek geïnteresseerd,
Lubberhuizen zag uit naar een ontmoeting met de raadselachtige
schrijver. Tymen Trolsky wilde echter per se onbekend
blijven, ook tegenover zijn toekomstige uitgever. Zijn
broer Terjew, zo schreef hij de Amsterdamse uitgever,
had zich bereid verklaard om in zijn plaats te gaan.
Geert Lubberhuizen schreef op 14 maart 1973: "(-)
Maar goed, als er zoveel bezwaren zijn tegen een
ontmoeting, dan wil ik uw broer Terjew natuurlijk ook
best ontmoeten. Misschien zoudt u samen kunnen komen.
In ieder geval dan graag op 30 maart om 2 uur 's middags.
Later op die dag vieren wij het verschijnen van de nieuwe
roman van Hugo Raes en u zou uw literaire vader dan
ook kunnen ontmoeten.(-)" En zo sprak Geert
Lubberhuizen op 30 maart 1973 met Terjew Trolsky in
Bodega Keyzer naast het Concertgebouw te Amsterdam over
de uitgave van het werk van Tymen Trolsky, zich onderwijl
het hoofd brekend over wie nu eigenlijk tegenover hem
zat.
De Bezige Bij had inmiddels een lijstje
gekregen van zijn manuscripten: 1. Liederen van Weemoed,
Wanhoop en Waanzin (ondertitel: Aliesjes poëziebundel
I), 2. Liefdes-, klaag- en politieke Liederen (ondertitel:
Aliesjes poëziebundel II), 3. Vijf Herfst- en Lenteliederen
(ondertitel: Aliesjes prozabundel I), 4. Het Oponthoud,
roman, en 5. De Grijsaard, 25 korte verhalen. Zo werden
de gedichten nu verdeeld over twee bundels, die later
toch in één band zouden verschijnen. Tegelijk
werd de roman op de markt gebracht, waarvan de titel
ook veranderd zou worden en wel in Hyancintha en Pasceline,
de namen van de twee Indische meisjes die in het boek
figureerden en die ook in werkelijkheid zo heetten.
Er stond veel te gebeuren en ... Tymen Trolsky ging
op reis. Hij vroeg Lubberhuizen om een voorschot op
zijn uit te geven werk, kreeg de gewenste duizend gulden
en vertrok op 13 juni 1973 richting India.
"Met tranen in de ogen zat ik in Pakistan op
m'n kale hotelbed en keek piekerend naar een van de
vele sprinkhanen die over 't laken rondkropen, vlogen
of sprongen, keek naar de blinde muur voor 't raam,
naar de magere hagedis op de muur, pakte m'n rugzak
in en keerde, 'n licht snikken onderdrukkend, per bus
en trein in 10 dagen van Pakistan naar m'n eigen idiote,
door mij hartstochtelijk beminde landje terug. En nu
ben ik 'r weer." (Brief 22 juli 1973 aan Geert
Lubberhuizen). Deze reis vormde de inspiratie tot het
schrijven van de Indiase Liederen, die hij in maart
1974 voltooide om onmiddellijk daarna te beginnen aan
een nieuwe bundel die eerst Zwarte Bloemen heette, later
Zwarte Liederen.
Onder redactie van Remco Campert verscheen
in januari 1974 het eerste nummer van Gedicht. Hierin
het Nederlandse debuut van Tymen Trolsky, een reeks
sonnetten onder de titel De Schaakmatch. De komende
achttien maanden zou het Trolsky zijn wat de literaire
klok sloeg. Martin Ros heeft daar zijn steentje aan
bijgedragen.
"(-) Van de mij zeer bevriende Oscar Timmers
vernam ik over uw vele interessante plannen en ik las
natuurlijk al van de titels die op stapel staan. Wat
ik erg graag zou willen doen: eens een inleidend stuk
over uw figuur en werk maken in een van mijn rubrieken
(NRC of AD). Ik zou dat willen doen aan de hand van
een "interview" dat we schriftelijk
-want dan wordt het meeste gezegd!- zouden kunnen hebben.
Ik hoop dat u ja zegt en dat ik een brief met vragen
mag sturen. Van uw werkelijke identiteit behoeft u uiteraard
in geen enkel opzicht iets prijs te geven.(-)"
(Eerste brief Martin Ros aan Tymen Trolsky, 18 februari
1974).
En zo verscheen het eerste aan het fenomeen Tymen Trolsky
gewijde Literair Logboek (NRC 20 maart 1974), met de
klinkende introductie: Een poète maudit is onder
ons opgestaan!. Martin Ros -ondanks de opgebloeide,
vaak persoonlijke correspondentie, wist ook hij lange
tijd niet wie zich achter het pseudoniem verschool-
deed zijn duit in het zakje van de mystificatie. Hij
had er duidelijk plezier in en zag er ook voordeel in:
"(-) Ik zou zeggen: het is in allerlei opzichten
ijzersterk voor je je identiteit grondig te blijven
versluieren. Het raadsel rond deze mystificatie zal
nog hoger lees- en koophonger naar je werk ontketenen
en zo is het goed.(-)" (Brief 4 december 1974).
Het was ook Martin Ros die Trolsky stimuleerde eigen
artikelen voor het Cultureel Supplement van NRC-Handelsblad
te schrijven. Dit resulteerde in een vijftal bijdragen
die gedurende 1975 geplaatst werden. Op een gegeven
moment vroeg Ros of hij zelf het pseudoniem mocht gebruiken,
zodat hij letterlijk het een en ander aan de mythe bij
kon dragen. Hier ging de echte Trolsky echter niet op
in.
"(-) Je twee boeken verschijnen
eind van deze maand. Je weet dat Liederen van weemoed
alleen maar vertraagd is doordat we de bundel verdubbeld
hebben. Hyacintha is voorspoedig gegaan (normale produktietijd
van een boek is zes maanden). Vorige week hebben we
de vijfde en laatste aanbieding van dit jaar samengesteld,
en daar staat van jou op: Indiase liederen. Aliesje
kan geplaatst worden op de eerste aanbieding van 1975.
Rest dan nog je Zwarte Liederen. Een mogelijke oplossing
zou zijn om van je Indiase liederen en Zwarte liederen
weer één bundel te maken (???). Als we
Zwarte liederen apart op de tweede aanbieding 75 zetten,
verschijnt het volgend jaar zomer. Dat klinkt allemaal
verweg, maar begrijp dat het zéér uitzonderlijk
is om van één schrijver in twaalf maanden
tijd 5 boeken te publiceren. Voor welke andere schrijver
denk je dat wij dat zouden doen? (-)"
(Brief Oscar Timmers, redacteur De Bezige Bij, 19 juni
1974).
Zo verscheen medio 1974 de roman Hyacintha
en Pasceline tegelijk met twee dichtbundels in één:
Liederen van weemoed, wanhoop en waanzin.
De roman, beginnend met `Opgedragen aan mijn ouders',
verhaalt van een student in de rechten, de ik-figuur
T., die bij aankomst in een dorp het vijftienjarige
Indische meisje Pasceline ontmoet. Zij worden elkaars
geliefde en de roman is de beschrijving van hun relatie.
(Trolsky's voorliefde voor jonge Indische meisjes treft
de lezer opvallend vaak in zijn werk aan). Pasceline
woont nog thuis en T. trekt in bij de familie die, naast
de ouders, bestaat uit de oudere zussen Hyachintha en
G., en het jongere broertje Leslie. T. wordt de indringer,
de gehate vreemde, niet in de laatste plaats omdat hij
als een besluiteloos persoon opgevoerd wordt, op het
neurotische af, iemand die niet weet wat hij met zijn
leven aanmoet. Een speelbal van de mensen om hem heen,
van de omgeving. Hyachintha, de oudere zus, komt hem
te hulp. Zij weerhoudt de vader om de vreemdeling het
huis uit te gooien. En zij wordt de tweede geliefde.
Hartstocht en wanhoop buitelen over elkaar, om het geheel
maar eens clichématig samen te vatten, en de
lezer realiseert zich al snel dat dit nooit goed kan
aflopen. De willoze student is gedoemd. Het boek eindigt
dan ook met zijn aanstaande dood; de familie vergiftigt
hem.
Een zwartromantisch gegeven, haast negentiende-eeuws,
zoals ook
het wonderlijke, voor sommigen irritante taalgebruik,
lyrisch, vol adjectieven en bewuste clichés,
zozeer zelfs dat de overdrevenheid wel naar een vette
ironische knipoog moet wijzen. (Voor Wam de Moor in
De Tijd van 6 september 1974 aanleiding om de roman
als een groteske te typeren). Dit wordt versterkt door
de lange zinnen en de schrijfwijze van woorden als haar,
een, het; die staan als d'r, 'n, en 't afgedrukt. Of
de schrijver een spreektaal nastreeft, maar het levert
als typisch effect juist een gekunsteldheid op, op het
maniëristische af. Een parallel met het werk van
diverse Tachtigers dringt zich sterk op.
De zoals vermeld op hetzelfde moment verschenen gedichtenbundel
draagt als volledige titel: Liederen van weemoed, wanhoop
en waanzin, gevolgd door Liefdes-, klaag- en politieke
liederen (ondertitel: "Aliesjes poëziebundel
I en II"). Twee bundels in één,
206 pagina's dik (haast een unicum in de Nederlandse
letteren), waarin Trolsky zijn verlangens en zijn obsessies
ditmaal in vele al dan niet in de sonnetvorm gegoten
gedichten uitspreekt, soms zelfs uitspuwt. Opgenomen
is zijn Nederlandse debuut, de reeks gedichten getiteld
De Schaakmatch, Aliesje figureert, dromen dienen zich
aan, gesprekken worden in vrije versvorm opgetekend,
verhalen verteld. En passant komt ook de Nederlandse
poëzie aan de orde, zijn bloedhekel aan dichters
als Kouwenaar, zijn bewondering voor iemand als Habakuk
II de Balker.
Later in datzelfde jaar 1974 volgde de bundel Indiase
liederen, 49 pagina's tellend, met vijftien gedichten
verdeeld over drie afdelingen: Proloog, Inleidend lied
van de dichter, en Dertien liederen. Trolsky heeft hierin
meer grip op zijn stof gekregen, de vorm en de toon
van de `liederen' doen aan balladen denken. In deze
ontdekkingsreis, zowel letterlijk (hij was op reis geweest;
zie voorafgaand) als geestelijk op te pakken, passeren
grote thema's als honger, armoede, wreedheid, de dood.
Zijn bekommernis om het onbeduidende en het tere wordt
sterk verwoord. Armen, zigeuners, prostituées,
zij krijgen zijn aandacht. Zijn liefde voor Aliesje
blijkt hiervan de duidelijke bevestiging.
Exemplarisch voor de receptie waren
de reacties op Hyancintha en Pasceline. Zo prezen Karel
Poll (NRC), Ab Visser (Leeuwarder Courant) en Wam De
Moor (in De Tijd noemde deze het de beste roman van
1974) het boek, terwijl iemand als Kees Fens (De Volkskrant)
er geen spaan van heel liet (die sprak van wagonladingen
vol woorden). Een genuanceerde mening leek niet mogelijk.
Wat de poëzie betrof: een overrompelend dichter
vond Anton Korteweg (Het Parool) hem, Rein Bloem (Vrij
Nederland) daartegenover schreef dat Trolsky's verzen
stijf stonden van onmacht en ongein.
Bij dit alles verscheen ook nog het
geruchtmakende artikel Ober, afrekenen in het oktobernummer
van Maatstaf (1974). Deze "polemisch-programmatische
tekst" die begint met de zin "Ik heb nooit
een prozaïscher en poëzielozer volk gekend
dan 't Nederlandse", neemt onder andere Gerrit
Kouwenaar, Jules Deelder en Harry Mulisch op de korrel,
waarbij de leer der fysionomie een niet geringe rol
speelt. Op het werk van enkelingen na, zoals Habakuk
II de Balker, Gerrit Komrij en Rutger Kopland, ziet
Tymen Trolsky de Nederlandse poëzie-produkten als
dode kanaries in verroeste kooitjes. De bundels van
Hamelink, Bernlef, Schippers, Ten Berge worden net goed
genoeg bevonden om er samen met Aliesje papieren mutsen
van te vouwen. Een ongekend felle, giftige toon, die
veel kwaad bloed zette en nog meer vraagtekens opriep.
Enkele maanden later, januari 1975,
lag zijn bekendste werk, de verhalenbundel Aliesje reeds
in de winkels. Zes onderling verbonden verhalen, zogeheten
herfst- en lenteliederen, genummerd, met als ondertitels
Aliesje, Shonuto I, Spanje, Thuis, Shonuto II en Op
rak, ieder voorafgegaan door citaten uit het werk van
Nederlandse en buitenlandse dichters. Twee epilogen
sluiten het boek af, samen met een kwatrijn van J.H.
Leopold (het zou Trolsky's motto kunnen zijn):
'Een druktemaker is, wiens naam bekend is,
een intrigant, wiens leven afgewend is.
Waarlijk, hij ware 't wijste daaromtrent,
die niemand kent en die van geen gekend is.'
Net als Hyachintha en Pasceline heeft Aliesje de liefde
als hoofdthema, ook hier betreft het een liefde tussen
een student rechten en een Indisch meisje, nog jonger
ditmaal, zeven jaar. Ook gaan beiden samenwonen, nu
bij hem op kamers. Aliesje, dit nymfje, zijn muze, zijn
mythe. De hoofdpersoon, Tymen heet hij nu voluit, oppert
zelfs dat zij een kind is van de zigeunerin Shonuto,
met wie hij in Finland de liefde heeft bedreven. Dit
thema is in onze vaderlandse letteren schaars en dan
betreft het nog de affectie voor jongentjes, zoals bij
Jan Hanlo en Astère Michel Dhondt. Dezelfde schroomvallige,
kuise, haast religieus-ingetogen liefde die deze schrijvers
voor hun knaapjes voelen, koestert Trolsky voor het
vroegrijpe Aliesje. Het tederheidsaspect overheerst
duidelijk het seksuele. Dit laatste speelt wel in het
tweede `lied', met als plaats van handeling Lapland,
waarin de zeer aardse liefde voor de zigeunerin Shonuto
beschreven wordt: hartstochtelijk, bizar, sado-masochistisch.
In het derde `lied' neemt Tymen, weer verenigd met haar,
Aliesje op vakantie naar Spanje.
Zoals eerder komt ook hier de wereld, de folklore van
de zigeuners aan de orde. Aangrijpende jeugdherinneringen
volgen, zoals het martelen van dieren; Trolsky's doodsmystiek,
zijn pessimisme, dat hierin geworteld lijkt. Terug in
Nederland, in het vierde `lied', volgt de confrontatie
met de familie van Aliesje, door wie zij wordt opgesloten.
Moeder, broers en zusters (de vader is gestorven) hebben
opmerkelijk genoeg geen morele bezwaren tegen de verhouding,
maar willen wel garanties dat hij haar trouw zal blijven
en dat er te zijner tijd een huwelijk volgt. Tymen stemt
toe en het paartje betrekt een verdieping, waar hij
aan de door Aliesje geïnspireerde boeken werkt,
die haar onsterfelijk moeten maken, en het meisje ontpopt
zich als een grappig-bazig huisvrouwtje. In dit verhaal
Thuis komen enkele tekeningen en gedichtjes van Aliesje
voor. Het vijfde `lied' heet Shonuto II, de titel geeft
het al aan. Gegrepen door het verlangen Shonuto te willen
weerzien (`de moeder'), vertrekt Tymen spoorslags naar
Finland. Tevergeefs, hij wordt ernstig ziek en een prostituée
verpleegt hem tot hij weer terug kan naar Nederland.
Daar vindt Aliesje een briefje in zijn rugzak waaruit
blijkt dat de prostituée Shonuto zelf was. Zo
heeft hij haar toch nog ontmoet, zijn verlangen is gestild.
In het laatste, zesde `lied', Op rak, is Tymen weer
samen met Aliesje. Hierin wordt zijn bemoeienis met
radikale communisten, hij is zogenaamd saboteur, kolderiek
verteld. Een regelrechte parodie (zoals in Hyachintha
en Pasceline het studentenleven genadeloos op de korrel
werd genomen). Ten slotte blijkt dat het pand dat zij
bewonen afgebroken gaat worden en daarmee eindigt het
boek abrupt. Onvoltooid, dat lijkt ook de bedoeling,
want in de epiloog neemt Tymen afscheid van zijn kortstondige
schrijverscarrière, de literatuur is hij grondig
beu. Zijn pessimisme heeft gewonnen:
`(-) En nog helderder dan voordien doorzie ik dit
ene feit: dat 't leven vergeefs is en wreed, en dat
't geen vergeefser daad kent dan 't schrijven, dat immers
de dood niet wil, 'r tegen vecht, en zich toch onvermijdelijk
onder dit juk moet buigen. Om die reden werd dit verhaal
onderbroken en zal 't onvoltooid blijven.' (-)
(p. 260)
Zo'n produktie van zo'n totaal onbekende, dat maakte
nieuwsgierig, dat irriteerde ook. Naarstig ging men
op zoek naar de ware identiteit. Hoewel: waar op zoek?
Men had alleen de naam, de boeken, een enkel artikel
en een vage foto op de achterkant van Hyacintha en Pasceline.
Verder geen mogelijke duiding.
De weinigen die vanaf het begin op de hoogte waren,
verkeerden niet in het literaire wereldje van de grachtengordel.
Toch kwam Propia Cures in het decembernummer van 1974
met de oplossing: Willem Frederik Hermans. Gezien de
enorme produktie werden ook meerdere auteurs achter
het pseudoniem vermoed. Zo dacht men aan de trojka Martin
Ros-Gerrit Komrij-Theo Sontrop, gevoed door het idee
dat het pseudoniem een anagram bevatte dat in die richting
wees. Ook volgens de Belgische krant De Standaard bestond
er geen Trolsky; er zat waarschijnlijk een groepje studenten
achter. Gerrit Komrij zelf verdacht Hans Warren en Theo
Sontrop wilde het per se weten van zijn collega Martin
Ros. Die het inmiddels wist, maar niks verklapte, nee,
hij wakkerde liever het vuurtje aan om nog meer van
de commotie te kunnen genieten.
Robert Vacher schreef in De Stem, dagblad
voor Breda, van april 1975 een recensie over Indiase
Liederen en Aliesje. Zijn artikel begon met de zin:
"Iedereen weet intussen dat Trolsky niet een
andere naam is voor Gerrit Komrij, Habakuk 2 of Rutger
Kopland en dat de schrijver als zijn kat Salvador langs
de gevels van zijn woonplaats Tilburg sluipt.(-)"
Vacher, een van de ingewijden, schreef toentertijd nu
en dan een recensie voor De Stem. Tegenover de kunstredacteur
van die krant liet hij zich ontvallen dat Trolsky een
collega van hem op school was. Dit kwam journalist Johan
Diepstraten ter ore, tevens medewerker van het literaire
blaadje De Klopgeest, een uitgave van C.J. Aarts. Hij
rook een primeur en ging met de combinatie leraar Nederlands
Breda-woonplaats Tilburg aan de slag. Hij belde alle
middelbare scholen van Breda op met de vraag of er een
leraar Nederlands werkte die in Tilburg woonde. Bij
de scholengemeenschap Markenhage had hij prijs. De man
heette Jos Mikkers. Het volgende telefoongesprek ontspon
zich: "Ja, met Diepstraten. Het is ontdekt.
U bent Trolsky." "Hoe komt u nou
aan die rare informatie?" "Kom, kom,
meneer Mikkers, ik ben geen achttien meer."
En Mikkers gaf toe. Hij sprak met Diepstraten af dat
deze tegelijk met de onthulling een artikel zou plaatsen
waarin hij het gebruik van zijn pseudoniem zou motiveren.
Ook zou Diepstraten zijn stukje eerst opsturen naar
Mikkers' vriend Jace van de Ven. De dag daarop kreeg
Johan Diepstraten een brief van Trolsky:
"Van de ene kant betreur ik 't, zoals je misschien
begrepen zult hebben, uitermate dat ik voortaan niet
meer onder de bescherming van 'n waterdicht pseudoniem
zal kunnen schrijven, van de andere kan 't mij, zo moet
ik eerlijk bekennen, ook niet meer schelen of m'n "ware"
naam op korte termijn wereldkundig gemaakt zal worden
of niet. Ik ben onbeschrijflijk moe, moe van 'n volk
dat doodgravers boven dichters verkiest, dat aan de
lippen hangt van critici die nooit hebben leren lezen
en onderscheiden, die elkaars oordeel klakkeloos overnemen
(-), moe van 'n volk dat enkel uit is op sensatie
en poëtische papegaaikunstjes. Gelukgewenst."
Iets anders reageerde Jace van de Ven. Hij noemde Diepstraten
een krullul en zou hem persoonlijk in elkaar komen slaan.
Toen gebeurde er iets vreemds. De onthulling werd, ondanks
dat ook Vrij Nederland erop gesprongen was (31 mei 1975),
niet serieus bevonden. Wat wel doordrong was dat het
niet het driemanschap Ros-Komrij-Sontrop betrof, maar
hoogstens een groepje studenten uit Brabant. Dat maakte
de affaire een stuk minder interessant. Trolsky werd
met andere woorden niet definitief ontmaskerd. Trouwens,
zijn ware naam luidde ook niet Jos Mikkers. Zo konden
nog de "publieke" optredens van Tymen Trolsky
in Nederland en België volgen, die het rookgordijn
weer aandikten.
Uitnodigingen voor optredens genoeg!
Daarmee ook honoraria te verdienen, evenzo ook kansen
om poetsen te bakken en velen op stang te jagen. Dat
lukte aardig, temeer daar Tymen Trolsky's tweelingbroer/vervanger/dubbelganger,
Jace van de Ven, zijn rol met verve speelde.
Zo diende zich de door J. P. Guépin op 25 april
1975 georganiseerde sonnettenavond in de Lodewijkkerk
te Leiden aan. Tijdens Trolsky's voordracht, onder begeleiding
van het permanente slaan van een meegebrachte, onklaar
gemaakte pendule om het motto van die avond -"Sonnetten
die klinken als een klok"- kracht bij te zetten,
klonk er in de holle ruimte plots een schot. Jace van
de Ven viel, katheder en microfoon meeslepend, dodelijk
getroffen neer. Iedereen zat stijf in de kerkbank. Om
even later te moeten aanschouwen dat de dode dichter
grijnzend opkrabbelde. Bij het verlaten van de kerk
kregen de bezoekers een pamflet in de handen gedrukt.
De titel ervan luidde: "Smakeloze grap van
enfant terrible" en het bekritiseerde de vertoning
als een misselijke publiciteitsstunt ("Wat
dichter? Wat kunstenaar? Een regelrechte snotneus, meer
niet! Beter ware het dat deze Brabantse branieschopper
voortaan in zijn eigen streek optrede voor een publiek
van Barneveldse hoenderen en Drentse patrijshonden.
(-) Laten we hopen dat de Maatschappij der Nederlandse
Letteren Trolsky voor de laatste keer uitgenodigd heeft.")
Tymen Trolsky deelde het uit.
De eerste mei van dat jaar vierde men in Turnhout met
de manifestatie Poëzie in het Circus. (Overigens
bleek deze happening een opmaat voor soortgelijke manifestaties
die later zowel in België als Nederland plaats
zouden vinden; aardig idee om die geschiedenis eens
op papier te zetten). Voordat Trolsky, Van de Ven en
enkele kornuiten zich met de andere dichters in een
processie, compleet met kamelen!, van het stadhuis naar
de circustent begaven, legden ze een bezoekje af bij
De Slegte. Daar schaften ze zich dichtbundels van de
collega's aan om vervolgens deze werken tijdens het
Trolsky-optreden de zaal in te laten vliegen onder het
uitroepen van kreten als: Te licht bevonden! Slechte
Poëzie! Da's ook al niks! Uiteraard werd dit niet
in dank afgenomen, met name Patrick Conrad kreeg het
te kwaad toen ook zijn bundel in het publiek terechtkwam.
De laatste bundel van de stapel kon wel de goedkeuring
wegdragen, die was namelijk geschreven door Tymen Trolsky.
Eindelijk goede gedichten en er kon voorgelezen worden.
Twee voorbeelden, twee streken van Trolsky's rebellenclub.
"Ik keek enorm op heden van
Lien Heyting te horen dat je je op een Bezige Bij-bijeenkomst
nu hebt ontpopt als Jasper Mikkers en als Tymen Trolsky
en dat je zelfs in die hoedanigheid een interview hebt
toegezegd. Moet ik hieruit concluderen dat je nu alle
versluiering en mystificatie definitief beëindigt?
(-)" (Brief Martin Ros 27 april 1976).
Inderdaad verscheen dat interview en wel in het Cultureel
Supplement van de NRC, 4 juni 1976. Onder de dubbele
kop Met schrijven tem ik mijn hartstocht/Tymen Trolsky
onthult zijn ware naam en met begeleidende foto's verhaalde
Lien Heyting van haar ontmoeting met de ware Trolsky.
De reden van zijn naar buiten treden was dat de anonimiteit
zich tegen hem zelf had gekeerd. Als hij nog langer
onbekend bleef, zou dat schadelijk worden voor de erkenning
van zijn werk:
"(-)Er worden mij door de critici ook allerlei
kwaadaardige bedoelingen verweten: ik zou anoniem willen
blijven om veel publiciteit te krijgen; ik zou mij zeer
goed bewust zijn van het lage niveau van mijn werk en
om die reden niet willen uitkomen voor mijn schrijverschap.(-)
En er wordt ook klakkeloos aangenomen dat mijn werk
niet het werk is van één auteur.(-)"
De in het begin van dit artikel vermelde aversie tegen
het "schrijverswereldje" kwam ook ter tafel.
Jonge schrijvers liepen geheide kans door hun oudere
confraters bestookt te worden met cynisme en teleurstellingen.
Met het bijkomend risiko dat ook zij het gebruikelijke
zuipen als heldendaad gingen beschouwen. Een bittere
toon. Namen werden genoemd:
"(-)Die kliek rond Kouwenaar, met Bernlef,
Schippers, Ten Berge, Fens, Bloem. Als een van hen je
eenmaal heeft aangevallen, dan krijg je ze allemaal
op je nek. Dat gaat bijna bij wijze van afspraak.(-)"
In een reactie schreef Martin Ros dat hij het jammer
zou vinden als Trolsky zich op rancune en humorloosheid
zou laten betrappen. En: "(-) Ik krijg ook
wel sterk de indruk dat je Amsterdam, het wereldje and
all that een enorme meerwaarde toekent.(-)"
(Brief 12 mei 1976). In ieder geval gold zeker dat Jasper
Mikkers na vijf jaar het verstoppertje spelen zat was.
Overigens bleef hij Tymen Trolsky nog
een aantal jaren als schrijversnaam gebruiken. Zo verscheen
vlak na het bovenvermelde interview de reeds genoemde
bundel Zwarte Liederen bij De Bezige Bij, en later bij
kleine uitgeverijen de bundels Indonesische Gedichten
(VAN, Amsterdam, 1978) en Kwatrijnen (Brandon Pers,
Tilburg, 1979). In 1980 dan verscheen in het januarinummer
van Maatstaf het laatste werk van Tymen Trolsky, een
pittige kritiek op het werk van Gerrit Kouwenaar onder
de titel Een cursus spelonkologie.
Jasper Mikkers gebruikte zijn eigen naam twee jaar daarna
bij het verhaal Turo del Home in Het Nieuw Vlaams Tijdschrift
(april 1982). In 1990 zagen zowel de roman De Weg van
de Regen (De Bezige Bij), als de dichtbundel Wie is
uiteindelijk (Querido) het licht. Binnenkort verschijnt
bij De Bezige Bij de verhalenbundel De kleine jongen
en de rivier. De meeste gedichten uit boven-genoemde
bundel werden voorgepubliceerd in De Revisor en Raster.
Onder een pseudoniem: Artur Raven. Het lange gedicht
De Verdwijning zal september van dit jaar bij Querido
uitkomen, net als de verhalenbundel onder eigen naam.
(Zo is hij een van de weinige auteurs met twee uitgeverijen,
een voor zijn proza en een voor zijn poëzie). Maar
weer andere, nog ongebundelde, gedichten zijn onder
een derde schuilnaam in diverse tijdschriften terechtgekomen.
Hij kan het kennelijk niet laten. Maar dat is een ander
verhaal.
|
|
|